Thomas Hood arriveerde in Oostende in het najaar van 1837. Hood was een Engelse schrijver, met een scherpe blik en een eigen gevoel voor humor. Hij verbleef een hele poos in ons land en verwoordde zijn bevindingen klankrijk in zijn dagboek. Hij bewonderde onze inzet om meer regen te hebben dan de Engelsen en waardeerde de manier waarop wij ons daaraan hadden aangepast. Hij schreef: ‘De inwoners zijn zo koudbloedig dat alleen hun alcohol hen verhindert om vissen te worden!’ Hij beschreef onze voorvaderen verder als een troepje onverbeterlijke zuipschuiten, die rechtop bleven omdat ze een constante houvast hadden aan hun glazen en kruiken.
Kijk, al ben ik zelf een ingeweken vreemdeling (mijn stamboom wortelt in Frans-Vlaanderen), ik laat dat niet zomaar zeggen over de Vlamingen. Dronken onze voorvaderen dan zoooo veel?
Bah, neeeen!
Zoals je al vermoedde … ik zocht het op. En je zult verstomd staan: de consumptie van whisky in Vlaanderen in 1837 was 0,0 … Jammer dat die Thomas Hood dood is, anders had ik hem dat graag eens door de neus geboord. Toen ik het mijn vrouw vertelde, zei ze droogjes dat het inderdaad een opmerkelijke bevinding was, maar stelde wel voor om ook eens in de jeneverstatistieken te gaan kijken.
Wat dacht je? Heb ik gedaan. De oudste vermelding die ik vond komt uit 1868.
In dat jaar dronk de Vlaming (baby’s inbegrepen) gemiddeld 49 flessen jenever per jaar.
Is dat veel? Ik laat het aan jullie over.
Ach, je moet weten, in het begin van de negentiende eeuw sloeg de mentaliteit bij de bevolking plots om. In de eeuwen ervoor werd gretig gelachen als ergens een zatte kerel werd opgevoerd. Ook Shakespeare voerde in zijn ‘The Merry Wives of Windsor’ een verliefde drinkebroer op, Falstaff. Zelfs de gekroonde hoofden rolden erbij over de grond van het lachen. Wij Vlamingen werden toen tot de ‘grootste drinkers van Europa’ gerekend. En niemand lag er wakker van.
Maar in de negentiende eeuw: gedaan. Er was haast geen kwaal of alcohol was er de oorzaak van: zweren, beroertes, jicht … het zat allemaal geworteld in die duivelse drank. Dronken huisvaders sloegen vrouw en kinderen de deur uit, vielen met brandende sigaret in slaap en zorgden ervoor dat de hele inboedel in de fik ging. Hun verfoeid gedrag werd kleurrijk beschreven in volkse romans. Zelfs Piet Paaltjes, dichter-dominee en zelf zoon van een wijnhandelaar, voerde af en toe de verfoeide dronkenlap op, zoals in ‘Frits en Kee’.
Zij heette Kee. Hij schreef zich Frits.
Zij zag wat scheel. Hij liep mank.
Een englenpaar. Maar zij erg bits,
En hij verschriklijk aan de drank.
Zo woonden ze in een lekke schuit,
Als twee marmotjes in hun hol.
Geregeld schold zij hem de huid
En dronk hij zich met bitter vol.
In zijn verrassing leegde hij
Reeds ’s morgens vroeg zijn tweede flesch;
En van weeromstuit raasde zij
In ééns wel voor een week of zes.
Er volgen nog een hele rij verzen tot het koppel aan een ellendig einde komt: door zijn toedoen, zinkt hun woonschuit naar de bodem. Dat was dan ook de eerste keer dat hij water binnenkreeg.
Ook de beroemde dichter Willem Kloos was een van die beruchte jeneverklanten en wellicht komt daarvan ook zijn beroemde vers: ‘Ik ben een god in ’t diepst van mijn gedachten en zit in ’t binnenst van mijn ziel ten troon’.
Ik heb, eerlijk gezegd, ook al eens dat gevoel gehad.
Vlucht den jenever!
Schiedam was zowat het Sodom en Gomorra van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden. In het begin van de negentiende eeuw telde de stad 260 distilleerderijen. Ook in het zuiden werd naarstig gestookt en gedronken. Militairen kregen sowieso al één jenever bij het ontbijt, één bij de lunch plus een glas bier en één jenever bij het avondmaal. In Vlaanderen telden we één kroeg per 85 inwoners, in Groot-Brittannië één per 180. Dat wil veel zeggen. Maar weet dat een fles jenever meer kostte dan het dagloon van een werkman.
De regering ging ingrijpen, maar dat kreeg geen greep op het stijgend jeneververbruik. Een strenge drankwet maakte het uiteindelijk moeilijker om sterke dranken te bemachtigen. Openbare dronkenschap werd strafbaar en aan kinderen jonger dan zestien jaar mocht geen alcohol meer worden verkocht.
In het trouwboekje van mijn grootvader, uit 1908, staat:
‘Ongetwijfeld, jong gehuwden, koestert gij geen vuriger verlangen, dan eene eeuwige eendracht en verstandhouding in uwen huiskring zien te heerschen. De niet-verwezenlijking van dien wensch heeft dikwijls voor oorzaak dat de gevaren, die tot onenigheid leiden, niet altoos vermeden worden.
Een dier gevaren – wellicht het voornaamste – is de genever. Immers hij is de verwoester van het huiselijk geluk, de vernietiger van het genoeglijke familieleven.
Daarom kunnen wij, in onze vurige betrachting u immer gelukkig te zien, niet genoegzaam toeroepen: ‘Vlucht den genever. Vlucht de sterke dranken. Vlucht ze als ene aanstekelijke ziekte, als een groot gevaar. Als een erg vergift. Slaat de oogen rondom u heen en bestatigt wat ellende en rampspoed de sterke dranken voor gevolg hebben. Zij alleen maken jaarlijks meer slachtoffers dan alle kwalen die de mensheid teisteren te zamen gerekend: zij verdooven de rede en maken het hart onvatbaar voor alle edel gevoelen…’
De brave man leerde me jenever drinken.
